Miserietaks: versoepeling van het verdeelrecht bij beëindiging van de relatie

22/02/2016 De wetgever voert vanaf 1 januari 2016 opnieuw een wijziging in op het verdeelrecht dat moet betaald worden bij de uitonverdeeldheidtreding van onroerende goederen tussen voormalige partners en tracht zo het leed dat met een relatiebreuk gepaard gaat enigszins te verzachten.

1. Het principe (2,5 %)

Het verdeelrecht van 2,5 %, moet betaald worden bij :

- gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
- afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
- de omzetting van het vruchtgebruik op vraag van de langstlevende echtgenoot (op grond van artikel 745quater en artikel 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek).

Deze belasting bedraagt 2,5 % en wordt geheven op de overeengekomen waarde van de goederen, zoals ze blijkt uit de bepalingen van de akte. Indien  de overeengekomen waarde evenwel lager is dan de reële verkoopwaarde, dan wordt de belasting toch op de verkoopwaarde geheven. Indien de onverdeeldheid volledig stop wordt gezet, wordt de belasting geheven op de waarde van het volledige onroerend goed. Indien de onverdeeldheid nog deels blijft bestaan, wordt de belasting geheven op de waarde van de afgestane delen.

Dit recht moet betaald worden door degene die het onroerend goed verkrijgt.

Meteen moet hier een uitzondering aan worden toegevoegd: bij een afstand door de vennootschap aan de vennoot van een onroerend goed dat ze samen in onverdeeldheid hadden, is niet het verdeelrecht van 2,5 % van toepassing maar wel het verkooprecht van 10 %. Dit standpunt, dat tot heel wat discussie leidde, wordt door de Vlaamse rulingdienst bevestigd in haar voorafgaande beslissing nr. 15001 d.d. 26 oktober 2015. Het verkooprecht van 10 % wordt evenwel enkel toegepast bij een uitonverdeeldheidtreding tussen een vennoot en een NV, Comm.VA of CVBA.

Indien het gaat om een BVBA, VOF, Comm.V of LV kan men wel nog genieten van het verdeelrecht van 2,5 %, op voorwaarde dat men zich kan beroepen op één van de uitzonderingsgevallen voorzien in art. 2.9.1.0.4, lid 2 V.C.F., meer bepaald als het gaat om een verkrijging van:
- onroerende goederen die in de vennootschap zijn ingebracht, als ze verkregen zijn door de persoon die de inbreng gedaan heeft;
- onroerende goederen die door de vennootschap met betaling van het verkooprecht verkregen zijn, als het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt, deel uitmaakte van de vennootschap toen laatstgenoemde de goederen verkreeg.

2. De uitzondering bij de beëindiging van het wettelijk samenwonen of het huwelijk (1 %)

De wetgever was reeds enige tijd terug van oordeel dat het onbillijk was om een verdeelrecht van 2,5 % toe te passen indien het stopzetten van de onverdeeldheid er kwam ten gevolge van een relatiebreuk. Scheiden doet al genoeg lijden. Vanaf 1 januari 2015 werd, onder bepaalde voorwaarden, het verdeelrecht voor deze categorie personen dan ook verlaagd van 2,5 % naar 1%.  

Het gaat hierbij zowel om ex-wettelijk samenwonenden (die minstens één jaar wettelijk hebben samengewoond) als om voormalige echtgenoten. Feitelijke samenwoners die beslissen hun relatie te stoppen en hun onroerend goed in onverdeeldheid aan de andere partner te verkopen genieten dus niet van deze gunstmaatregel.

Evenwel waren een aantal bijkomende strikte voorwaarden vereist (die vanaf 1 januari 2016 versoepeld worden, zie hieronder).

3. Vanaf 1 januari 2016 bijkomende versoepeling voor de toepassing van het uitzonderingstarief bij de beëindiging van het wettelijk samenwonen of het huwelijk (1 %)

Een bijkomende versoepeling wordt ingevoerd bij decreet van de Vlaamse Overheid houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 d.d. 18 december 2015 (B.S. 29 december 2015).

a. Bij beëindiging van het wettelijk samenwonen

Waar voordien vereist was dat de verdeling van het onroerend goed gebeurde binnen het jaar na de beëindiging van het wettelijk samenwonen, wordt deze termijn ingevolge verlengd tot drie jaar.  De voorwaarde dat het wettelijk samenwonen minstens één jaar moet geduurd hebben, blijft wel nog steeds gelden.

b.  Bij echtscheiding

Het verlaagde tarief  van 1 % kan worden toegepast van zodra het gaat om een verdeling van onroerende goederen die plaatsvindt na echtscheiding of die uitwerking heeft door de echtscheiding.

De voorwaarde dat de verdeling van het onroerend goed dient te gebeuren bij de akte die de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap regelt, vervalt aldus.

Dit heeft tot gevolg dat wanneer men op het moment van de vereffening-verdeling beslist om een woning in onverdeeldheid te laten en één van de ex-echtgenoten de woning pas jaren later overneemt, men op dat moment nog steeds kan genieten van het verlaagde tarief.

In tegenstelling tot vroeger, waar bij een echtscheiding door onderlinge toestemming vereist was dat de verdeling gebeurde bij de authentieke akte vermeld in art. 1287 Ger.W., valt vanaf 1 januari 2016 ook een verdeling of afstand die wordt overeengekomen in een onderhandse regelingsovereenkomst onder de gunstmaatregel.

c. Inwerkingtreding

De versoepelde regelgeving treedt in werking op 1 januari 2016. De datum van verdeling of afstand van onverdeelde delen is bepalend (en niet de datum van de echtscheiding of de beëindiging van de wettelijke samenwoning).

Vlabel concretiseert in zijn standpunt nr. 15172 d.d. 21 december 2015 dat de nieuwe regeling en de daaraan verbonden nieuwe voorwaarden van toepassing zullen zijn op:

1) overeenkomsten daterend vanaf 1 januari 2016;

2) overeenkomsten daterend van voor 1 januari 2016 waarvan een opschortende voorwaarde zich vervult na 1 januari 2016;

3) overeenkomsten daterend van voor 1 januari 2016 waarbij werd afgesproken om voor een bepaalde of onbepaalde termijn in onverdeeldheid te blijven en waarbij de overeenkomst tot verdeling wordt afgesloten vanaf 1 januari 2016;

4) overeenkomsten daterend van voor 1 januari 2016 waarbij een optie tot verdeling werd verleend en waarbij de optie wordt gelicht na 1 januari 2016.

Bovendien heeft de Vlaamse Belastingdienst zich bereid verklaard om in een restrictief aantal gevallen een terugbetaling te verlenen aan belastingplichtigen die het tarief van 2,5% hebben betaald.

Om te kunnen genieten van het tarief van 1 % was het tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2016 vereist de Vlaamse Belastingdienst dat de regelingsakte tussen de ex-echtgenoten in authentieke vorm was opgemaakt.

Gelet op de bijkomende versoepeling vanaf 1 januari 2016, waardoor een onderhandse verdelingsakte voldoende is, biedt Vlabel de mogelijkheid om een teruggave te bekomen van de teveel betaalde registratierechten “aan die belastingplichtigen aan wie de toepassing van het verlaagd tarief van 1% werd ontzegd en die het tarief van 2,5% hebben voldaan, omwille van de onderhandse aard van de regelingsakte”. 

 

Deel dit bericht op:


Andere actua berichten

De symptomen van een burn-out

21/09/18 De laatste jaren zien we steeds vaker dat cliënten het een tijdje rustiger moeten aandoen omdat ze worden geconfronteerd met een burn-out. Als het even niet meer lukt is het belangrijk snel de juiste hulp in te roepen. Hoewel geen fiscaal onderwerp maken we u toch graag even attent op de symptomen van een burn-out. Beter voorkomen dan genezen.

Lees meer

De investeringsaftrek, een noodzakelijke opfrissing

11/09/18 De investeringsaftrek is niet nieuw. Ze bestaat reeds sinds 1982, maar werd de laatste jaren niet vaak meer gebruikt omwille van de komst van de notionele interestaftrek. De wetgever is namelijk nooit grote fan geweest om beide voordelen te combineren. Nu de notionele interestaftrek echter zo goed als volledig vleugellam is gemaakt en in diezelfde wetgeving op de hervorming vennootschapsbelasting voor kleine vennootschappen de eenmalige gewone investeringsaftrek tijdelijk op 20% is gezet, wordt deze opnieuw interessant. We lijsten even de belangrijkste zaken voor u op.

Lees meer

Btw-vrijstelling kleine onderneming

27/08/18 Een onderneming kan zich niet zomaar beroepen op de toepassing van de btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen. Zij moet daarvoor uitdrukkelijk hebben gekozen, voorafgaandelijk aan de opstart van haar activiteiten.

Lees meer