Vanaf 2018 minstens 45.000 Euro bezoldiging om te genieten van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting

20/12/17 Om vanaf inkomstenjaar 2018 (aanslagjaar 2019) in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief vennootschapsbelasting (20% op de eerste schijf van 100.000 € fiscale winst) moet een vennootschap ten minste een bezoldiging van 45.000 €/jaar uitkeren aan één van haar bedrijfsleiders. Voor vennootschappen met een beperkte winst wordt een overgangsregeling voorzien.

Om dit verlaagd tarief te kunnen genieten moet de vennootschap kwalificeren als een “kleine vennootschap" in de zin van art. 15 Wetb. Vennootschappen (de jaarrekening wordt opgesteld volgens het Verkort Schema of Micromodel).   De oude voorwaarde dat er geen dividend mag worden uitgekeerd (hoger dan 13% van het gestort kapitaal) om te kunnen genieten van het verlaagd tarief is niet langer van toepassing. Deze verruimde kwalificatie maakt dat meer vennootschappen in aanmerking komen voor het nieuwe verlaagde tarief. Het wordt dan ook erg belangrijk een aangepaste bezoldiging te nemen om optimalisatie mogelijk te maken. Neem je een te lage bezoldiging, dan verlies je niet alleen dadelijk het kmo-statuut, en dus het voordeel van het verlaagde tarief, maar betaal je bovendien binnen de vennootschap een bijkomende heffing van 10% (de eerste twee jaren wordt dit beperkt tot 5%) op het bedrag dat je te weinig nam aan bezoldiging. Deze bijkomende heffing is wel aftrekbaar.

Samengevat is vanaf volgend jaar het verlaagde tarief van toepassing voor zover er binnen de (kleine) vennootschap ten laste van het boekjaar aan ten minste één bedrijfsleider een bezoldiging wordt toegekend die hoger is of gelijk aan 45.000 € of aan het belastbaar (fiscaal) inkomen van de vennootschap.

Voorbeelden :

  Hoogste Bezoldiging    Fiscale Winst Vennootschap     Verlaagd Tarief 
            45.000 €                 95.000 €                 Ja
            45.000 €                 40.000 €                 Ja
            20.000 €                 16.000 €                 Ja
            20.000 €                 21.000 €               Nee
                    0 €                 15.000 €               Nee


Deze regeling geeft dus aanleiding tot cijferwerk indien de (fiscale) winst van de vennootschap minder dan 45.000 € bedraagt.  Om te berekenen hoe hoog de minimale bezoldiging moet zijn, kan men vertrekken vanuit het fiscaal resultaat voor aftrek van die bezoldiging.  Door dat resultaat te delen door twee bekomt je het bedrag dat als bezoldiging moet worden toegepast.  De drang naar optimalisatie kan soms een ongewenst effect hebben : bij een belastingcontrole zal de fiscus deze maatregel immers toetsen op basis van de winst na onderzoek van de aangifte. Indien in de overgangsregeling wordt geopteerd de bezoldiging gelijk te trekken met de fiscale winst van het boekjaar, dan zal elke verhoging van deze winst (bv. door een kost te verwerpen), hoe klein ook, tot gevolg hebben dat de vennootschap het verlaagd tarief verliest (en de bijkomende heffing van toepassing wordt). Voorzichtigheid is dan ook geboden bij het bepalen van de wedde bedrijfsleider.

Het begrip bezoldiging : in de voorbereidende stukken van deze, nog te publiceren, nieuwe wetgeving vinden we geen informatie terug over het begrip bezoldiging. De administratieve commentaar daartegen spreekt uitdrukkelijk over een bruto bezoldiging voor aftrek van sociale lasten. Worden oa als bezoldiging aangemerkt volgens deze bepaling :

  • alle vaste of veranderlijke bezoldigingen;
  • voordelen van alle aard (wagen, door de vennootschap ten laste genomen sociale bijdragen, enz);
  • tantièmes die door de vennootschap worden toegestaan en ten laste worden gelegd van het betrokken boekjaar;
  • vergoedingen uitgekeerd naar aanleiding van de stopzetting mandaat bedrijfsleider;
  • geherkwalificeerde huurinkomsten;
  • alle bestanddelen die vanuit fiscaal oogpunt een bezoldiging vormen.

Opgelet, bv. de baten die een vrije beroeper ontvangt uit de vennootschap, naast zijn bezoldiging als bedrijfsleider, toegekende auteursrechten, commissielonen, terugbetaalde kosten,… komen niet in aanmerking als “bezoldiging”.

De vergoeding moet worden toegekend aan een bedrijfsleider, die een natuurlijk persoon is. Een bedrijfsleidersvergoeding aan de zaakvoerder “vennootschap” komt dus niet in aanmerking. Het WIB bepaalt immers dat een bedrijfsleider "een natuurlijk persoon is die in de vennootschap een werkzaamheid of leidende functie van dagelijks bestuur, van commerciële, technische of financiële aard uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst".

De duur van het boekjaar heeft geen effect op deze maatregel. Er mag geen proportionele aanpassing gebeuren indien het boekjaar geen 12 maanden bedraagt.

Deze nieuwe maatregel is niet van toepassing op starters (de eerste 4 boekjaren van kleine vennootschappen).  Zij hoeven geen minimum bezoldiging op te nemen om  toch in aanmerking te komen te komen voor het verlaagd tarief.  Opgelet, wanneer de activiteit van de starter de voortzetting betreft van een werkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door een natuurlijk persoon of rechtspersoon is deze vrijstelling voor starters niet van toepassing.  In dit geval telt als startdatum immers de eerste inschrijving in de Kbo van de eenmanszaak of vorige rechtspersoon en dient de starter bijgevolg sneller de minimum bezoldiging op te nemen om van het verlaagde tarief te kunnen blijven genieten.

De bijkomende heffing van 5% (vanaf inkomstenjaar 2020 10%) is niet enkel van toepassing op de kleine vennootschappen welke te weinig bezoldiging uitkeren om in aanmerking komen voor het verlaagde tarief.  Ook grote vennootschappen, welke hoe dan ook niet in aanmerking komen voor het verlaagde tarief, zijn deze bijkomende heffing verschuldigd wanneer de wedde bedrijfsleider ontoereikend is !  Voor starters is de bijkomende heffing (opnieuw eerste 4 boekjaren) niet van toepassing.

Bij verbonden ondernemingen waarvan ten minste de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van deze betrokken vennootschappen kan, om de hoogte van de bezoldiging te bepalen, het totaal van de door deze vennootschappen aan een van diezelfde personen gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het totaal bedrag dat in dit geval moet worden ontvangen vanuit de verschillende vennoootschappen wordt op 75.000 € gebracht.  Opgelet, deze afwijkende drempel kan enkel worden gebruikt voor het vermijden van de bijkomende heffing, niet voor het bekomen van het verlaagde tarief.  We merken echter op dat de praktische invulling van deze uitzonderingsmaatregel zeer veel vragen oproept zodat het zal wachten zijn op verdere verduidelijking.

Voor de volledigheid melden we nog dat het “standaard” tarief vennootschapsbelasting van 33% vanaf volgend jaar (aanslagjaar 2019) zal dalen naar 29% en vanaf aanslagjaar 2021 naar 25%. De aanvullende crisisbijdrage daalt volgend jaar van 3% naar 2% (verlaagd tarief wordt volgend jaar dus, inclusief de crisisbijdrage, 20,40 %, gewoon tarief wordt 29,58 %). Tegen inkomstenjaar 2020 zou de crisisbijdrage volledig verdwijnen.

Vragen ? Contacteer uw Alteor dossierbeheerder.

 

Deel dit bericht op:


Andere actua berichten

Het belang van een correcte inschrijving Kbo

22/05/2018 Een foutieve of onvolledige inschrijving in de Kbo heeft gevolgen op verschillende vlakken. Hieronder schetsen we de regelgeving, de problematiek en de diverse gevolgen van een foutieve Kbo inschrijving.

Lees meer

Auteursrechten, een opportuniteit?

15/05/18 Hoewel initieel enkel gekend in de culturele sector voelen tegenwoordig steeds meer bedrijfsleiders zich geroepen om het fiscaal gunstregime van auteursrechten toe te passen.

Lees meer

Het nieuwe vennootschapsrecht

02/05/18 Vorig jaar werden de voorontwerpen goedgekeurd en, indien alles volgens schema verloopt, zou het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) in de loop van 2018 in werking treden. De hervorming legt de nadruk op vereenvoudiging en flexibilisering, met de bedoeling het ondernemingsklimaat aantrekkelijker te maken.

Lees meer