De liquidatiereserve
06/02/26 Bij een dividenduitkering aan een natuurlijk persoon wordt er in principe 30% roerende voorheffing ingehouden en doorgestort aan de overheid. Door het aanleggen van een liquidatiereserve kan je gebruik maken van een lager tarief roerende voorheffing.
Dividenduitkeringen zijn standaard onderworpen aan een tarief van 30% roerende voorheffing. Er bestaan echter enkele gunstmaatregelen om te kunnen genieten van een lager tarief. In veel gevallen zullen dividenden kunnen worden uitgekeerd na inhouding van slechts 18% roerende voorheffing via de “VVPR-bis regeling”. Deze regeling is helaas niet altijd mogelijk omdat bv. niet aan alle voorwaarden wordt voldaan. Omdat het bv. een vennootschap betreft die werd opgericht voor 01/07/13, of omdat de aandelen niet meer in handen zijn van de oorspronkelijke oprichters (de voorwaarden vvpr-bis lees je hier).
Een alternatief voor kleine vennootschappen kan dan het aanleggen van een “liquidatiereserve” zijn.
Bij het aanleggen van zo’n liquidatiereserve is er een anticipatieve heffing van 10% verschuldigd. Deze heffing verschijnt in de cijfers van de vennootschap als een extra stukje vennootschapsbelasting.
Voorbeeld berekening anticipatieve heffing: Stel dat de winst voor belasting van je vennootschap bv. 20.000 € bedraagt, dan zal na inhouding van bv. 20% vennootschapsbelasting je vennootschap 16.000 € als te bestemmen winst na belasting overhouden. Indien wordt geopteerd om dit bedrag opzij te zetten als een liquidatiereserve is er hierop onmiddellijk een 10% extra heffing verschuldigd. Het exact bedrag bekom je door de 16.000 € te bestemmen winst te delen door 1,10 wat resulteert in 14.545,54 €. Dit bedrag wordt in je balans verwerkt als een liquidatiereserve. De 10% anticipatieve heffing over deze aangelegde reserve (1.454,45 €) wordt door je vennootschap betaald als een extra stukje vennootschapsbelasting, die dus stijgt van 4.000,00 € naar 5.454,45 €. Dus hoewel er meestal wordt gesproken over 10% anticipatieve heffing bedraagt die eigenlijk slechts 9,09%.
Bij de uitkering als dividend van een liquidatiereserve die werd aangelegd voor 31/12/2025 wordt dan roerende voorheffing ingehouden aan de volgende verlaagde tarieven:
- 20% bij uitkering binnen de vijf jaar;
- 5% bij uitkering na vijf jaar;
- 0% als de uitkering gebeurt naar aanleiding van de liquidatie van de vennootschap (ongeacht of de reserve meer of minder dan vijf jaar heeft bestaan).
Een aandeelhouder-natuurlijke persoon die na 5 jaar een winstuitkering uit een liquidatiereserve ontvangt, voegt die na inhouding van 5% roerende voorheffing niet toe aan zijn of haar belastbaar inkomen. De roerende voorheffing is bevrijdend. Deze categorie van aandeelhouders ontvangt dus een winstuitkering door een toebedeling van aangelegde liquidatiereserves aan 13,64%: 10% anticipatieve heffing op het brutobedrag van de aan te leggen reserve (zie bovenstaand voorbeeld) en 5% roerende voorheffing bij uitkering.
Vanaf juli 2025 werd de wachttijd ingekort van vijf naar drie jaar. Tegelijkertijd stijgt de roerende voorheffing bij zo’n versnelde uitkering van 5% naar 6,5%. Hierdoor stijgt de totale belastingdruk op liquidatiereserves van 13,64% naar 15%. Dit betekende een gelijkschakeling met het tarief van het VVPR-bis-regime.
Voor liquidatiereserves die werden aangelegd voor 31/12/2025 heb je een keuze:
- Of je volgt de oude regeling en wacht vijf jaar voor een uitkering aan 5%,
- Of je maakt gebruik van de verkorte wachttijd van drie jaar en betaal je 6,5%.
Nieuwe liquidatiereserves die vanaf 31 december 2025 worden aangelegd, vallen automatisch onder het nieuwe regime van drie jaar wachttijd met een tarief van 6,5%.
Vanaf 2026 worden de tarieven roerende voorheffing opgetrokken. Voor de liquidatiereserves aangelegd voor 31/12/2025 heeft dit geen gevolgen en blijven bovenstaande tarieven van toepassing. Voor liquidatiereserves aangelegd vanaf 31/12/2025 stijgt het tarief van 6,50% naar 9,8%.
Vennootschappen opgericht na 01/07/13 zullen doorgaans opteren voor het VVPR-bis systeem omdat je daarbij sneller je winst kan uitkeren aan de aandeelhouders. Maar ook bij deze vennootschappen kan de aanleg van een liquidatiereserve toch interessant zijn. Wanneer je bv. richting vereffening gaat en je dus via het aanleggen van een liquidatiereserve roerende voorheffing kan besparen. Bij de vereffening van je vennootschap is de VVPR-bis regeling trouwens nooit van toepassing. Dividenden onder deze regeling moeten dus worden uitgekeerd voor effectieve vereffening.
Opgelet : voor de aandeelhouder die zelf ook een vennootschap is, zijn de dividenden die ze ontvangt in principe belastbare winst in de vennootschapsbelasting. Eventueel ingehouden roerende voorheffing kan verrekend worden met deze vennootschapsbelasting, maar de ingehouden anticipatieve heffing van 10% bij de aanleg van de liquidatiereserve is niet verrekenbaar. Het aanleggen van een liquidatiereserve is dan ook niet interessant wanneer de aandeelhouder zelf ook een vennootschap is omdat in dat geval deze 10% een extra kost vormt voor de ontvangende vennootschap. Een aandeelhouder-vennootschap kan de 10% anticipatieve heffing met andere woorden niet recupereren, maar ook niet verrekenen. Noot : in gewone uitkeringsomstandigheden, zonder die 10% liquidatiereserve, kunnen veel aandeelhouders-vennootschappen door een combinatie van DBI-aftrek en de vrijstelling van roerende voorheffing trouwens hun dividendinkomen volledig vrijstellen van vennootschapsbelasting.
Verschillende parameters kunnen bepalend zijn voor wat in jouw dossier de beste keuze is. Bekijk dus met jouw fiscalist of accountant wat te doen in jouw dossier.
Meer tips & tricks ?
Lees meer